Psychiatrisch Onderzoek (PO)

Status Mentalis

Eerste indrukken

Uiterlijk

  • Lichamelijke kenmerken

    lichamelijk gezond, ziek, specifieke verschijnselen van somatische aandoeningen, voedingstoestand, huidskleur, opvallende kenmerken, verwondingen, handicaps.

  • Leeftijdschatting

    conform of jonger of ouder dan kalenderleeftijd.

  • Zelfverzorging

    verzorgd, onverzorgd, verwaarloosd; bijzonderheden aan kleding, kapsel, make-up, enzovoort; huidafwijkingen, lichaamsgeuren.

  • Gelaatsuitdrukking

    ontspannen, vriendelijk, belangstellend, tevreden, vrolijk, wantrouwend, angstig, gespannen, verbijsterd, bedroefd, boos, agressief, neerbuigend, op zichzelf betrokken.

Contact en houding

  • Contact

    wijze van ontmoeten, begroeting, handdruk (aarzelend, overrompelend, aanvaardend, enzovoort); wederkerigheid van het contact; wel of geen contactgroei.

  • Oogcontact

    sociaal adequaat; vermijdend, overmatig, wegkijkend, ontbreekt geheel; visuele hallucinaties suggererend.

  • Houding

    natuurlijk, vriendelijk luisterend, coöperatief, respectvol, afwachtend, afwijzend, ongeduldig, controlerend, beschuldigend, vijandig, dreigend, arrogant, sarcastisch, hautain, onderdanig, dociel, argwanend, gretig, triomfantelijk, geamuseerd, joviaal, familiair, charmerend, erotiserend, uitdagend, angstig, schuchter, kinderlijk, gereserveerd, ontwijkend, verstrooid.

Klachtenpresentatie

  • Klachtenpresentatie

    met gevoel, zakelijk, onverschillig, met distantie, met ‘belle indifférence’, alsof het een ander betreft, klagend, appellerend, aanklampend, verwijtend, aanklagend, dissimulerend, overdreven, aggraverend, breedsprakig.

Gevoelens en reactie onderzoeker

  • Gevoelens en reactie onderzoeker

    neutraal, irritatie, verveling, ongeduld, somberheid, angst, machteloosheid, aanstekelijkheid, verlies van overwicht, geamuseerdheid, sympathie, medeleven, enzovoort.

Cognitieve functies

Bewustzijn, aandacht en oriëntatie

  • Bewustzijn

    helder; somnolent, soporeus, subcomateus, comateus; licht gedaald, omneveld, vernauwd, verruimd; slaapaanvallen, slaapwandelen; absences, syncopes; wisselingen van het bewustzijn.

  • Aandacht en concentratie

    normaal/ongestoord: hypovigiliteit, onoplettendheid, teruggetrokken in zichzelf, hypertenaciteit; hypervigiliteit, verhoogd afleidbaar, hypotenaciteit, gepreoccupeerd, mate van selectiviteit; concentratiestoornis.

  • Oriëntatie
    • in tijd:  intact; gestoord.
    • in plaats: intact; gestoord.
    • in persoon, in andere personen, in de eigen persoon: intact, gestoord.

Geheugen

  • Kortetermijngeheugen

    intact; stoornissen in het kortetermijngeheugen, stoornissen in het ruimtelijk kortetermijngeheugen; anterograde amnesie, posttraumatische amnesie; confabulaties.

  • Langetermijngeheugen

    intact; stoornissen in het episodische, semantische of procedurele langetermijngeheugen; retrograde amnesie; testresultaten; hypermnesie, dissociatieve amnesie; paramnesieën: waanherinneringen, valse herkenning, déjà-vu, déjà-entendu, déjà-pensé, déjà-vécu, jamais-vu.

Intellectuele functies

  • Realiteitsbesef

    intact; gestoord.

  • Zelfinschatting

    normaal/ongestoord; oordeels- en kritiekstoornissen, zelfoverschatting, zelfonderschatting.

  • Normbesef

    intact; gestoord.

  • Decorumbesef

    intact; decorumverlies, ‘Witzelsucht’.

  • Abstractievermogen

    gemiddeld, gering, hoog; verminderd.

  • Executief functioneren

    intact; stoornissen in het plannen maken voor en het initiëren, in samenhang en logische volgorde uitvoeren, controleren en stoppen van ingewikkelde handelingen; stoornissen in de motorische uitvoerende functies: motorische inertie, motorische perseveratie, motorische impersistentie, motorische-sequentiestoornis, stoornis in de schakelvaardigheid.

  • Intelligentie

    opleidings- en beroepsniveau, woordenschat, algemene ontwikkeling, probleemoplossend vermogen; achteruitgang in intelligentie, geschatte intelligentie (IQ):

    • hoogbegaafd (> 130)
    • begaafd (120-130)
    • hoog gemiddeld (110-120)
    • gemiddeld (90-110)
    • laag gemiddeld (80-90)
    • zwakbegaafd (70-80)
    • lichte verstandelijke handicap (50-70)
    • matige verstandelijke handicap (35-50)
    • ernstige verstandelijke handicap (20-35)
    • zeer ernstige verstandelijke handicap (< 20)
  • Taal

    intact; niet-vloeiende spraak, aprosodie; woordvindstoornissen, circumlocutie, parafasieën, betekenisloze neologismen, dysfasie, afasie; dysgrafie, agrafie; dysnomie, anomie, begripsstoornissen, herhalingsstoornissen; dyslexie, alexie.

  • Rekenen

    intact; dyscalculie, acalculie; dysaritmetrie, anaritmetrie.

Ziekte-inzicht

  • Ziekte-inzicht

    wel of geen besef van psychiatrische symptomen, van de pathologische betekenis daarvan, van de noodzaak van behandeling.

  • Ziekteverklaring

    denkbeelden over aard en oorzaken van de aandoening.

  • Ziektegedrag

    zoekt behandeling, wijst behandeling af; mate van behandeltrouw in het verleden, te verwachten behandeltrouw.

Voorstelling, waarneming en zelfwaarneming

  • Voorstelling

    normaal/ongestoord; dwangvoorstellingen; herbelevingen van een psychotraumatische ervaring; levendige, onwillekeurige voorstellingen.

  • Waarneming
    • normaal/ongestoord.
    • agnosieën: visuele agnosie, prosopagnosie, kleuragnosie, geografische agnosie, agrafognosie, tactiele astereognosie, atopognosie, visuele, auditieve of tactiele inattentie, negatieve hallucinaties; testresultaten.
    • dyspercepties: hyperesthesie, dysesthesie, anesthesie, allesthesie of synesthesie voor zintuiglijke waarnemingen; macropsie, micropsie, teleopsie,
      pelopsie, metamorfopsie, kakopsie, kalopsie, achromatopsie, dyschromatopsie, palinopsie; hyperacusis, palinacusis; versnelde, vertraagde tijdsbeleving.
    • hallucinaties: visueel/optisch (figuren, kleuren, objecten, personen, psychotraumatische ervaringen; binnen of buiten de ‘psychische horizon); auditief/akoestisch (gedachte-echo, commentaar, geluiden of stemmen, binnen of buiten het hoofd, tweede of derde persoon, aantal stemmen, imperatief); olfactorisch of gustatorisch; somatisch (tactiel/haptisch, kinesthetisch of visceraal; seksuele hallucinaties); kenmerken van de hallucinaties: realiteitsbesef gestoord of intact, partiële hallucinaties; inhoud van de hallucinaties, stemmingscongruent of -incongruent, wel of niet gesystematiseerd; ontkend, verborgen, preoccupatie ermee, leidend tot handelingen; hypnagoge of hypnopompe hallucinaties.
    • illusoire vervalsingen (illusies), persoonsmiskenningen/misidentificatie.
  • Zelfwaarneming

    normaal/ongestoord.

  • Zelfbeleving
    • depersonalisatie: autopsychische depersonalisatie, allopsychische depersonalisatie/derealisatie, somatopsychische depersonalisatie, desomatisatie.
    • identiteitsstoornissen: twijfel aan of verandering in de eigen identiteit, multipele identiteit, identificatie met de andere gender, (he)autoscopie, dubbelgangerfenomeen.
    • stoornissen in de zelfafgrenzing: verlies van de eigen autonomie, verlies van de eenheid van de eigen persoon, verlies van of overmatig sterke afgrenzing tussen de eigen persoon en anderen.
  • Lichaamsbeleving
    • agnosieën: hemiasomatognosie, anosognosie, rechts-links-agnosie, vingeragnosie.
    • overige symptomen: amplificatie van somatosensorische sensaties; stoornis in de lichaamsbeleving, morfodysforie; gevoel te sterven, ervaring van afstervende lichaamsdelen.

Denken

  • Tempo en efficiëntie

    normaal/ongestoord; geremd, gedachtearmoede, bradyfrenie; gestuwd, gejaagd, tachyfrenie; inefficiënt denken.

  • Beloop en samenhang
    • normaal/ongestoord.
    • stoornissen in de taalvorming: paralogismen, betekenisvolle neologismen, idiosyncratisch taalgebruik, stereotiep taalgebruik, cryptolalie, cryptografie, glossolalie.
    • stoornissen in de samenhang van het denken c.q. de gesproken taal: wijdlopigheid, overgedetailleerdheid; alogie, inhoudelijk arme taal; tangentialiteit (paralogie), ontsporing, verzanden, incoherentie, ‘Wortsalat’; gedachtevlucht, verhoogd associatief, klankassociatie.
    • (subjectief ervaren stoornissen in de autonomie van het denken: gedachtestops, gedachtebelemmering, gedachte-inbrenging, gedachtelezing, gedachteluidworden, gedachteonttrekking, gedachteuitzending.
    • dyslogieën: contaminatie, condensatie,  concretismen; overinclusief, overgeneraliserend, magisch, metaforisch, autistisch denken.
  • Inhoud
    • normaal/ongestoord.
    • randpsychotische symptomen: waanstemming, overmatig betekenisbewustzijn, waanachtige denkbeelden, betrekkingsideeën, waaninvallen, waanwaarnemingen, waaninterpretatie.
    • wanen: betrekkingswanen; paranoïde wanen (benadelingswanen, vergiftigingswanen, achtervolgingswanen, querulantenwanen, ontrouwwanen); grootheidswanen (erotomane wanen, almachtswanen, uitverkorenheidswanen, afstammingswanen, onsterfelijkheidswanen, godsdienstwanen, paranormale wanen); depressieve wanen (schuldwanen, zondewanen, armoedewanen, wereldondergangswanen, nihilistische wanen); somatische wanen (dysmorfe wanen, hypochondrische wanen, zwangerschapswanen, seksuele wanen); misidentificatiewanen (dubbelgangerswanen); depersonalisatiewanen; beïnvloedingswanen (wanen over gedachtebelemmering, -inbrenging, -lezing, -onttrekking, -uitbreiding of -uitzending; wanen dat de gevoelens, de impulsen of het handelen worden beïnvloed); kenmerken van de wanen: primair of secundair, bizar, stemmingscongruent of -incongruent, waangedachten of waansysteem, ontkend, verborgen, preoccupatie ermee, leidend tot handelingen.
    • overwaardige denkbeelden: eigenaardige overtuigingen, magische denkbeelden, paranoïde gedachten; overmatig gevoel van eigenwaarde, overwaardig zelfbewustzijn of zelfvertrouwen; ernstig tekort aan zelfvertrouwen, gevoelens van waardeloosheid, overmatige schuld- of insufficiëntiegevoelens, taedium vitae; overmatige zorgelijkheid, pessimisme, tobben over het verleden, angstig voorgevoel; ongegronde ongerustheid of overmatige angst over of voor: eigen uiterlijk, ziekte, overlijden, gek worden, een paniekaanval te krijgen, specifieke plaatsen, situaties, gebeurtenissen of objecten, dik te zijn of te worden, het idee tot de andere gender te behoren.
    • preoccupaties: met psychoactief middel, suïcidale of homicidale gedachten of plannen, ernstige ziekte, uiterlijk, seksuele behoeften of fantasieën, aversie voor seksuele handelingen, eten, voedsel, gewicht, gokken, religie, fantasie, eigen rechten, grootheidsgedachten, angst voor kritiek, details, ordening, delen van voorwerpen, mechanieken.
    • dwangmatig denken: dwanggedachten (bijvoorbeeld over geweld, ongelukken, messen of glas), rumineren, (dwangmatig) piekeren, twijfelzucht, besluiteloosheid; zich opdringende gedachten aan een psychotraumatische ervaring.

Affectieve functies

Stemming en affect

  • Stemming
    • algemeen: neutraal, opgewekt; eufoor: (overdreven opgewekt, uitgelaten, extatisch); depressief: (mat, gedrukt, verdrietig, bedroefd, neerslachtig, huilerig, somber, moedeloos, wanhopig, radeloos); met anesthesie van het gevoelsleven, met gevoelsarmoede, met anhedonie, met interesseverlies, met hopeloosheid, met suïcidaliteit, met onthechting; dysfoor: (ontstemd, wantrouwig, prikkelbaar, boos, kwaad, agressief); angstig: (ongerust, bezorgd, gejaagd, innerlijk gespannen, schrikachtig, vertwijfeld, verbijsterd); angst in aanvallen; stabiliteit, reactiviteit, intensiteit en duur van de stemming, opvallende stemmingswisselingen.
    • vrees voor specifieke situaties of voorwerpen: menigten, openbare ruimten, alleen reizen, autorijden, van huis weggaan, open ruimten, tunnels, bruggen, kleine groepen, spreken in het openbaar, bepaalde dieren, natuurkrachten, onweer, duisternis, hoogten, vliegen, liften, afgesloten ruimten, urineren of defeceren in openbare toiletten, tandarts, injecties, zien van bloed of wonden, blootstelling aan besmettelijke ziekten.
  • Affect
    • aard: neutraal, opgewekt; eufoor, depressief, dysfoor, angstig.
    • expressie: normaal modulerend; sterk modulerend, labiel, ingeperkt, vlak; reactief, onbeweeglijk; indifferent, theatraal; congruent of incongruent (parathymie); adequaat of inadequaat.

Somatische klachten en verschijnselen

  • Somatische klachten en verschijnselen
    • geen
    • somatische symptomen van stemmingsstoornissen: gewichtsverlies door anorexie, gewichtstoename door hyperorexie, obstipatie, doorslaapstoornissen,
      slaperigheid, hypersomnia, dagschommelingen, lusteloosheid, moeheid, energieverlies, verminderd seksueel verlangen; verminderde slaapbehoefte,
      toegenomen energie, toegenomen seksueel verlangen. angstequivalenten: inslaapstoornissen, onprettige dromen, angstdromen, bizarre dromen, nachtmerries; spierspanning, blozen, hartkloppingen, tachycardie, angineuze pijn, kortademigheid, ademnood, gevoel van verstikking, globusgevoel, duizeligheid, onvastheid, licht in het hoofd, collaberen, transpireren, tremor, koude handen of voeten, droge mond, paresthesieën, opvliegers, koude rillingen, misselijkheid, braken, maagklachten, buikklachten, diarree, frequente mictie.
    • pseudoneurologische symptomen: blindheid, dubbelzien, kokerzien, wazig zien, doofheid, afonie, slikklachten, evenwichtsstoornissen, epileptiforme insulten,  coördinatiestoornissen, astasie, abasie, spierzwakte, contracties, verlammingsverschijnselen, anesthesie, urineretentie.
    • overige somatisch niet (geheel) verklaarbare klachten: pijnklachten, asthenie, hartklachten, respiratoire klachten, gastro-intestinale klachten, urologische klachten, gynaecologische klachten, seksuele klachten of dysfuncties, huidklachten.

Conatieve functies

Psychomotoriek

  • Algemeen
    • normaal/ongestoord; kataplexie, enkelvoudige motorische tics, complexe motorische tics, copropraxie; apraxie: buccofaciale apraxie, idiomotorische apraxie, ideatorische apraxie, constructieve apraxie, kledingsapraxie.
    • katatonie katalepsie, opisthotonus, flexibilitas cerea, rigiditeit, motorische maniërismen, motorische stereotypieën, motorisch automatisme, bevelsautomatisme, echopraxie, motorisch negativisme, motorische oppositie, motorische coöperatie, ambitendentie, chaotisch gedrag, gratieverlies;
    • stoornissen in mate en tempo van psychomotorische activiteit: vertraging, hypoactiviteit, bewegingsarmoede, inactiviteit, stupor, remming; versnelling, hyperactiviteit, agitatie, rusteloosheid, bewegingsdrang.
  • Mimiek en gestiek

    normaal/ongestoord; levendig; theatraal, vertraagd, gering, afwezig; echomimie, paramimie, grimasseren.

  • Spraak

    normaal modulerend, levendig; overmatig modulerend, monotoon, zacht, luid, laag, hoog; stoornissen in de gesproken taal: enkelvoudige vocale tics, complexe vocale tics, coprolalie; echolalie, logoclonie, palilalie, verbale perseveratie, verbigeratie, verbaal maniërisme; logopenie, spraakarmoede, mutisme; bradylalie, tachylalie, logorroe, spreekdrang; stotteren.

Motivatie en gedrag

  • Motivatie en gedrag
    • normaal/ongestoord.
    • toename: scheldend, twistziek gedrag, expansief gedrag, overmatig agressief gedrag, overmatig seksueel gedrag, overmatig seksueel verlangen, hyperorexie.
    • vermindering: lethargie, initiatiefverlies, apathie, anergie, aboulie, afgenomen seksueel verlangen, anorexie.
    • stoornissen in middelengebruik: overmatig gebruik, tolerantie, controleverlies, niet kunnen stoppen, onthoudingsverschijnselen.
    • dwangmatig gedrag: dwanghandelingen (bijvoorbeeld handenwassen, opruimen, controleren, in stilte bidden, tellen, woorden of zinnen herhalen), rituelen, besluiteloos gedrag.
    • drangmatig gedrag: rituele gedachtespelletjes; parafiele handelingen, kleren van het andere geslacht dragen, vreetbuien, zelfopgewekt braken, zelfveroorzaakt laxeren, stelen, brandstichten, kopen, gokken, haar uittrekken.
    • impulsief gedrag: automutilatie, suïcidepogingen, woede-uitbarstingen,
      agressief gedrag, liegen, overmatig riskant gedrag, roekeloos rijden, poriomanie
    • sociaal disfunctioneren: overmatig sociaal actief; zelfverwaarlozing, sociale teruggetrokkenheid, vermijdingsgedrag, significante beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

Persoonlijkheid(stoornissen)

  • Algemeen

    activiteitenniveau, doorzettingsvermogen, zelfdiscipline, besluitvaardigheid, hantering risico’s, leiding geven en ontvangen, verantwoordelijkheid, vertrouwen, betrouwbaarheid, krenkbaarheid, extraversie/introversie, assertiviteit, frustratietolerantie, angsttolerantie, agressieregulatie, gewetensfunctie, impulsregulatie, zorg geven en ontvangen, erkend en begrepen voelen, hantering intimiteit, zelfvertrouwen, idealen.

  • Cluster A (zonderling)

    Paranoïde, schizoïde, schizotypisch

    • wantrouwend, achterdochtig, rancuneus, wrok koesterend, overgevoelig voor tegenslagen en kritiek, gepreoccupeerd met eigen rechten, jaloers,
      voortdurend naar zichzelf verwijzend.
    • emotioneel afstandelijk, kil, afgevlakt of ingeperkt, zonder (behoefte aan) hechte of intieme relaties, sociaal en seksueel solitair, preoccupatie met fantasie of introspectie, onverschillig voor lof of kritiek, gevoelloos, ongevoelig voor sociale normen.
    • met betrekkingsideeën, eigenaardige overtuigingen of magische denkbeelden, met ongewone waarnemingen of illusies, met depersonalisatie of derealisatie, met vaag, wijdlopig, metaforisch, overgedetailleerd of stereotiep denken, dwangmatig ruminerend, met excentriek uiterlijk of zonderling gedrag, sociaal zeer angstig en teruggetrokken.
  • Cluster B (dramatisch)

    Antisociaal, Borderline, theatraal, narcistisch

    • crimineel, oneerlijk, leugenachtig, impulsief, suïcidaal, prikkelbaar, agressief, gewelddadig, met geringe frustratietolerantie, met gebrekkige zelfbeheersing, roekeloos, onverantwoordelijk, zonder spijtgevoelens, zonder empathie of inlevingsvermogen, zonder schuldgevoelens, externaliserend, met conflicten op werk of rond financiën, niet in staat tot langdurige relaties.
    • geneigd tot intense en onstabiele relaties, krampachtig vermijdend om in de steek gelaten te worden, emotioneel instabiel, afwisselend idealiserend en kleinerend, met onstabiel zelfbeeld of zelfgevoel, met chronisch gevoel van leegte, niet in staat woede te beheersen.
    • aandacht vragend, oppervlakkig, egocentrisch, verleidelijk, uitdagend, met wisselende en oppervlakkige affecten, impressionistisch sprekend, zelfdramatiserend, theatraal, suggestibel, sensatie zoekend.
    • met opgeblazen zelfgevoel, gepreoccupeerd met grootheidsfantasieën, met idee heel uniek te zijn, bewondering verlangend, bijzondere rechten
      eisend, anderen exploiterend, afgunstig, arrogant, hooghartig.
  • Cluster C (angstig)

    Ontwijkend, afhankelijk, dwangmatig (obsessief-compulsief) 

    • intermenselijke contacten vermijdend, aardig gevonden willen worden, gespannen, overgevoelig, gepreoccupeerd met bekritiseerd of afgewezen worden, gereserveerd binnen intieme relaties, geremd in intermenselijke contacten, met laag zelfgevoel, risico vermijdend, fysieke zekerheid zoekend.
    • besluiteloos, beslissingen aan anderen overlatend, onzeker, afhankelijk, non-assertief, zonder zelfvertrouwen, onderworpen, steunbehoeftig, hulpeloos, niet alleen durven zijn, bang aan zichzelf te worden overgelaten.
    • gepreoccupeerd met details, regels, ordeningsschema’s, enzovoort, twijfelzuchtig en voorzichtig, perfectionistisch, nauwgezet, overmatig toegewijd, gepreoccupeerd met productiviteit, overdreven gewetensvol en scrupuleus, moralistisch, niet in staat tot delegeren, onredelijke eisen aan anderen stellend, gierig, star, koppig, halsstarrig, rigide, pedant.